Verhuizen

(www.arnhemaanzee.nl, 2 mei 2020)

‘Na 40 jaar maatschappelijke inzet in de stad Arnhem is de tijd gekomen om terug te keren naar de streek waar ik ben opgegroeid.’ Aldus de openingszin van een verhuisbericht dat ik enkele weken geleden rondstuurde aan familie en vrienden. De bijgevoegde foto toonde een rustiek dorpsstraatje in een al even rustiek Betuws dorpje. (Vandaar dat ik geheimhoud waar dat is want voor je het weet drommen massa’s lezers samen om persoonlijk te ervaren hoe rustiek het daar wel niet is.)

De verhuizers stonden op de bewuste dag om half 9 voor de deur, keurig op tijd zoals afgesproken. Voorop een royale vijftiger met dito buikomvang en in zijn schaduw een tengere knaap die ik nog geen zestien schatte en die geen woord Nederlands sprak. Zelf vond hij van wel. Dat wil zeggen, op alles wat ik hem vroeg antwoordde hij met ‘ja’. Zoals hem door zijn baas geleerd was vermoedelijk. Maar verder geen kwaad woord over beide mannen! Ze legden een werklust en een fysieke kracht aan de dag waar ik paf van stond. Kasten die ik met moeite van de muur gekregen had werden door de baas van het stel opgebeurd en voor zijn buik geklemd de trap afgedragen of het mandjes aardappelen betrof. De zestig dozen voor mijn circa duizend boeken die ik niet te zwaar gemaakt had om ze in elk geval zelf te kunnen tillen, werden door hem met een achteloos zetje tot achter in de vrachtwagen geschoven. Je zag alleen even zijn pols bewegen. Zijn jongere gezel deed voor wat betreft inzet niet voor hem onder en presteerde het om tot half 11 ’s avonds door te buffelen. Koffie of thee hoefden ze niet; pauze was voor mietjes. Nee, mijn respect voor verhuizers dat toch al aanzienlijk was, steeg die dag met het uur. Alleen de afronding die avond viel wat tegen. Want toen ik aan het begin van de tweede en laatste rit voorstelde om de fiets te pakken en die mee te nemen in de trein zodat ik het laatste stuk naar mijn nieuwe woning per fiets kon afleggen, keek de baas me verontwaardigd aan.

‘En de betaling dan?’

‘De betaling?’, vroeg ik op mijn beurt verbaasd, ‘u stuurt mij een nota en die voldoe ik uiteraard zo spoedig mogelijk.’

‘Nee, nee! Contant!’

Even was ik met stomheid geslagen. Ik was dus in de zwarthandel terechtgekomen, iets waar ik een broertje dood aan heb. Ondanks dat ik de Belastingdienst die maar al te graag het onderste uit de kan wil – leuker kunnen ze het niet maken, wel makkelijker – al menigmaal het lid op de neus heb toegewenst.

‘Beste man’, zei ik, ‘ik loop toch niet met achthonderd euro in mijn zak rond?’

‘U pinnen, wij rijden vast.’

‘Oké’, zei ik. ‘Ik zal zien of ik in de tussentijd een geldautomaat vind die mij dat bedrag in één keer wil uitbetalen.’

Ik had er een hard hoofd in want de meeste automaten keren niet meer dan vijfhonderd euro per dag uit. Maar zowaar, de twee onlangs geplaatste automaten in de Mariënburgstraat gaan tot tweeduizend en zonder protest duwde het apparaat mij zestien biljetten van vijftig in de hand.

Anderhalf uur later troffen wij elkaar in de nieuwe woning. Maar nog voor ik de baas van het spul de biljetten kon overhandigen werd de jongen, die er met zijn neus bovenop stond, de wagen ingestuurd waar hij moest wachten tot zijn chef met de afronding van de klus klaar was.

Ik telde de zestien biljetten voor hem neer en vroeg me tegelijkertijd af hoeveel die knaap in de wagen daarvan zou krijgen. Vijftig euro? Dat is vast heel wat voor een bij het asielzoekerscentrum geronselde vrijwilliger…



Ed Bruinvis - www.arnhemaanzee.nl, 2 mei 2020