Helene
75 jaar Kröller-Müller Museum
(www.arnhemaanzee.nl, 28 september 2013)

Voor iemand die naarstig op zoek is naar rust en stilte in dit volgepropte landje, biedt de Hoge Veluwe uitkomst. Zolang het duurt natuurlijk, want alles van waarde is aan slijtage onderhevig. En om daar een dagje te kunnen wandelen of fietsen, moet je er wel iets voor over hebben, € 8,40 om precies te zijn. En het dubbele als je ook nog het Kröller Müller Museum in wilt en niet over een Museumjaarkaart beschikt.

Maar dan krijg je ook wat, kun je zeggen. Van authentieke Van Goghs en Picasso’s achter glas tot moeflons en edelherten in de buitenlucht. Als je gelukt hebt tenminste. En je moet even doorbijten bij de ingang, want het is alsof je de vliegbasis Deelen oploopt die er pal naast ligt. Daar staan namelijk ook van die slagbomen en intimiderende camera’s op palen om je welkom te heten.

Vlakbij het museum staat de President Steynbank. Geheel gehouwen uit rossige zandsteen is het een gevaarte van jewelste. Het past met zijn massieve vorm en kolossale gewicht alleen maar ergens buiten op de grond, want er is geen fundering tegen bestand. Nog indrukwekkender eigenlijk is het terrein dat voor de bank tussen de bomen ligt. Indrukwekkend niet door massiviteit en gewicht, maar juist door het ontbreken ervan.

Het is een mooi open terrein, omzoomd door hoge eiken en beuken, met een rondlopende gaanderij onder afgeknotte lindenboompjes. In het midden, glanzend onder het neervallend zonlicht, ligt een enorm Latijns kruis van vlakke stenen, door kort gemaaid gras en lage buxushaagjes omgeven. Bank en terrein vormen samen een monument ter nagedachtenis van Marthinus Steyn, de laatste president van Oranje Vrijstaat voor wiens staatsmanschap het echtpaar Kröller grote bewondering had.

Dat het apartheidssysteem onder deze president al vorm kreeg, vermelden de meeste geschiedenisboekjes niet. Maar met alle tinten groen en de stilte van het bos eromheen, is het een ideale plek om tot rust te komen. Wat ik eigenlijk niet op zou moeten schrijven, realiseer ik me nu, want morgen holt half Arnhem erheen. Meteen weer vergeten deze tip dus!

Op mijn wandeling van Schaarsbergen naar Otterlo afgelopen week nam ik op deze plek even pauze. Ik had het me juist op het gras gemakkelijk gemaakt met een boek en een thermoskan koffie, toen een klein, kabouterachtig mannetje ten tonele verscheen. Hij bleef voor me staan in de hoop dat ik op zou kijken en ik trapte er weer eens in.

‘Heerlijk rustig is het hier, vindt u ook niet?’

Ik knikte. Vooral niet dieper op ingaan, dacht ik.

‘En weet u wat het is? Er komt hier haast nooit iemand en daarom blijft het hier ook zo rustig. Houdt u ook zo van rust?’

Ik knikte opnieuw en wilde juist zeggen dat ik die rust ook voor mijzelf wilde bewaren, toen hij zich naar me overboog. Zijn witte sikje wipte zenuwachtig op en neer en zijn stem kreeg iets samenzweerderigs.

‘Maar het schijnt dat je hier niet straffeloos kunt komen!’

‘O nee?’, vroeg ik, meteen beseffend dat dit mijn tweede fout binnen tien seconden was.

‘Nee’, zei de man terwijl hij snel even om zich heen keek. ‘Nee, want het is hier niet zomaar een stille plek, het is hier een sacrale ontmoetingsplek.’

Ik voelde prompt wantrouwen in me opkomen, maar voor ik iets kon zeggen wees hij naar de flagstones voor me in het veld.

‘Daar meneer, op die stenen van dat kruis. Daar gebeurt het soms. Niet nu, niet overdag, maar ’s nachts als het donker is en de opkomende maan nog laag achter de bomen hangt. Dan verschijnt ze daar soms.’

‘Wie?’, vroeg ik. ‘Wie verschijnt daar soms?’

De man keek verschrikt om zich heen.

‘Sst’, gebaarde hij. ‘Niet zo luid! Dat is de goden verzoeken! Zij natuurlijk, Helene!’

‘Helene? Welke Helene? Of bedoelt u Helene Müller soms?’

‘Juist, meneer. Wie zou ik anders bedoelen? Helene Müller. Kent u haar?’

Mijn wantrouwen maakte plaats voor irritatie. Ik wilde weer verder lezen in mijn boek en mijn koffie werd koud.

‘Helene Müller is al tachtig jaar dood’, zei ik. ‘En nu wil ik graag verder lezen.’

De man leek de ergernis in mijn stem niet te horen.

‘U moet niet alles geloven wat over Helene in de boeken staat, meneer. En heel veel over haar staat juist niet in de boeken. Wie ze werkelijk was, bedoel ik, en wat ze ’s nachts deed. Jarenlang. Daarom komt ze hier soms nog terug. Om wat er toen gebeurd is. Daarom zeg ik u dat wij stervelingen hier niet straffeloos kunnen komen. Omdat het een sacrale plek is, begrijpt u wel? En daarom verlaat ik u nu ook. Nu het nog kan, bedoel ik. Het ga u goed!’

Ik groette terug en zag hoe het mannetje haastig tussen de bomen verdween. Wat ik daardoor niet zag was de bij die zich tegoed deed aan de nectar uit een klein wit klaverbloempje voor me in het gras. Ik kreeg haar pas in de gaten toen ik mijn blote voet op haar zette. Mijn schreeuw kwam als een echo terug van de bomen aan de overkant van het veld, daar waar het mannetje net verdwenen was. Ik liet mij achterover vallen en draaide mijn voet om. De bij hing nog met haar angel aan mijn voetzool. Ik trok haar los, maar het was al te laat. Terwijl de koffie over mijn boek droop voelde ik hoe mijn voet angstaanjagend opzwol. Voor me in het gras stierf de bij, maar haar verlammende gif trok langzaam door mijn been omhoog richting mijn kruis.


Ed Bruinvis - www.arnhemaanzee.nl, 28 september 2013