Lippen

(www.arnhemaanzee.nl, 25 oktober 2013)

Ik had haar niet meteen herkend. Dat kwam door die vuurrood gestifte lippen. Die eisten alle aandacht op. Pas toen die lippen zich samentrokken tot een pruilend kersenmondje, begreep ik dat er iets mis was.

‘Je ziet me hier niet eens zitten’, zei dat mondje met een sip stemmetje in mijn richting.
Ik duwde de lamp iets scheef zodat het licht wat beter op haar gezicht viel.

‘O, Evelien, ben jij het! Sorry, je zit in de schemer en ik was gefascineerd door die vuurrode lippen. Ze staan je goed!’
Het mondje ontspande en vormde zich om tot een vage glimlach.

‘Alleen maken ze je gezicht wat bleker dan normaal’, voegde ik er aan toe.
Het mondje trok zich onmiddellijk weer samen.

‘Het is anders wel in, hoor, zo rood!’
Haar stem had prompt weer die klagende toon gekregen die ik nog zo goed van haar kende. Altijd oppassen met Evelien, ging het door me heen. Je wist het nooit met haar. Beter eerst polsen hoe de vlag erbij hangt, dan pas iets persoonlijks tegen haar zeggen. Ik had het me al lang geleden voorgenomen, maar ik zag haar te weinig om het te kunnen onthouden. Evelien was een vrouw die van het ene moment op het andere van stemming kon veranderen. Eén verkeerde opmerking en ze kon in huilen uitbarsten. Maar terwijl je zelf zat bij te komen van de schrik, barstte zij alweer in lachen uit om iets wat haar plotseling inviel.

Ook nu weer keek ze me aan met een gezicht waar het alle kanten mee uit kon. Zolang haar buien niet extreem werden, viel er goed met haar te leven, kon je zelfs enorm met haar lachen en was ze in voor allerlei spontane avontuurtjes. Zomaar een kano huren en de rivier af peddelen of in het donker door het bos zwerven. Niets was haar dan te dol en ze was nergens bang voor. Maar zodra ze iets ingrijpends deed met haar uiterlijk, was het uitkijken geblazen. Een tijdlang had ze zich opgemaakt met inktzwarte oogschaduw waardoor ze eruit zag als iemand die net uit het graf was opgestaan. Maar één verkeerde opmerking daarover en je serviesgoed ging aan scherven. Toen die periode voorbij was en ze alles weer in normale porporties leek te zien, knipte ze opeens al haar krullen af en leek ze nog het meest op de geëxalteerde Mia Farrow in Rosemary’s Baby. Je wist het nooit van tevoren. Zij zelf waarschijnlijk ook niet. En telkens weer was het schrikken.

‘Ga je nog iets doen vanavond?’, vroeg ik.
Ze haalde haar schouders op.

‘Als jij iets weet.’
Iets neutraals voorstellen leek me het beste.

‘Er draait een mooie natuurfilm in het Filmhuis.’
De lippen weken uiteen en de punt van een tong kwam tevoorschijn.

‘Hè, bah, een natuurfilm. Weet je niets beters?!’
Daar gaan we weer, dacht ik. Voor je het weet heb je ruzie over het milieu. Zal niet de eerste keer zijn. Maar voorzichtig tussen de klippen door blijven zeilen. Als ze maar niet over vrijen begint, want ik herinnerde me haar eigenaardige voorkeur voor donkere stegen en portieken.

‘Ik wil vrijen’, zei ze en de lippen tuitten zich tot een zoen op afstand.
‘Eh, wanneer?’, vroeg ik.
Natuurlijk was die vraag dodelijk.
‘Dan niet’, zei ze en de lippen versmalden zich tot twee vurige lijntjes.

‘Sorry, Evelien, een andere keer misschien.’
‘Zelf weten’, zei ze. Ze zoog haar lippen naar binnen en plotseling was haar gezicht een en al bleekheid. Toen stond ze met een ruk op en stampte op haar half hoge hakken naar de uitgang. Terwijl ze de deur openrukte hoorde ik haar al in huilen uitbarsten. Met een klap sloeg ze de deur achter zich dicht zodat de ruiten rinkelden. Ik sprong op, maar voor ik goed en wel buiten was hoorde ik haar gierende uithalen al in de verte wegsterven.


Ed Bruinvis - www.arnhemaanzee.nl, 25 oktober 2013