Borsten

(www.arnhemaanzee.nl, 5 mei 2014)

De vrouw deed haar sjaal en schoudertas af en legde ze voor zich op het tafeltje. Toen trok ze met lange, trage bewegingen haar mantel uit. Even stond ze rechtop en keek vorsend het zaaltje rond waar over een kwartier de voordracht zou beginnen. Maar net toen ze wilde gaan zitten, bedacht ze zich en kwam met tikkende hakjes naar mijn tafeltje gelopen.

‘Meneer,’ zei ze, ‘ik ken u niet, maar weet u wat ik nou zo leuk aan u vind?’
Ik keek haar afwachtend aan.

‘Dat u niet naar mijn borsten keek toen ik mijn jas uitdeed.’
De slok koffie die ik net genomen had, dreigde prompt in het verkeerde keelgat te schieten. Slechts door hevig te slikken kon ik een hoestbui voorkomen.

‘Want weet u,’ ging ze verder, ‘ik ben nogal gevoelig voor dat soort dingen. Daarom let ik daar zo op. Vooral bij evenementen als deze. Daar verwacht je toch een net soort publiek. Maar er zitten er dan toch altijd weer tussen die, hoe zal ik het zeggen, enfin, u begrijpt wel wat ik bedoel.’
Op haar truitje van zachte witte wol zaten rijen metaaltjes genaaid die in allerlei kleuren oplichtten als ze maar even met haar lichaam bewoog. Ik moest moeite doen om er niet telkens naar te kijken.

‘En dan heb je er ook nog van die types tussen die zo dicht bij je in de buurt gaan staan dat ze aldoor zogenaamd per ongeluk tegen je aan stoten. U kent dat wel. Vroeger op school had je ook van die gymleraren die per ongeluk aan je borsten zaten. Dat soort mannen dus. Maar gelukkig bent u niet zo’n man. Dat zag ik al meteen toen ik binnenkwam.’
Ik begon het een beetje benauwd te krijgen, vooral toen ze steeds verder over mijn tafeltje leunde en haar parfum me op de keel begon te slaan.

‘En als die mannen nu maar wisten hoe ze met borsten om moeten gaan, maar nee, ze knijpen erin alsof het ballonnen zijn. Schandalig gewoon. Geen enkel respect voor wat een vrouw prettig vindt of niet.’
Op het podium achter in het zaaltje was een man verschenen die bij wijze van verzoek om stilte een paar keer tegen de microfoon tikte. Het geroezemoes verstomde en het licht in de zaal dimde langzaam. De stem van de vrouw ging over in gefluister en zonder te vragen trok ze de andere stoel onder mijn tafeltje vandaan en kwam naast me zitten.

‘En weet u, als het nou maar bij borsten bleef. Maar nee, eenmaal zover gekomen zijn ze niet meer te houden. En dat gehijg erbij, dat vind ik eigenlijk nog het vervelendste. En dan moet je ook nog oppassen dat ze niet in je hals kwijlen. En als je ze hun gang laat gaan, dan zit je goeie goed binnen de kortste keren onder de, enfin, u begrijpt wel wat ik bedoel. Maar gelukkig bent u er niet zo eentje.’
Terwijl de man achter de microfoon de eerste dichter van de avond aankondigde, schoof ze haar stoel nog wat dichter naar de mijne.

‘Kijk, en dat vind ik nou zo fijn. Dat er nog mannen zijn waar je gewoon naast kunt gaan zitten en met wie je een praatje kunt maken zonder dat je bang hoeft te zijn dat ze meteen aan je zitten. Mijn vriendinnen houden me voor gek dat ik ’s avonds nog de deur uitga. Blijf toch lekker thuis, zeggen ze dan, daar kan je niets gebeuren. Maar ik zeg dan altijd dat er nog altijd mannen zijn met wie je wèl gezellig even kunt kletsen. Ja toch?’
De eerste dichter verscheen, een stapeltje bundels voor zich uit dragend. De vrouw draaide haar stoel wat meer in de richting van het podium waarbij ze even met haar borst langs mijn schouder streek.

‘Ach,’ fluisterde ze, ‘dichters kunnen het soms zo mooi zeggen, zo romantisch ook, vindt u niet? Vooral als het over de liefde gaat. Maar geef mij maar een man die gewoon met beide voeten op de grond staat en die niet meteen onderuit gaat als er een vrouw in de buurt komt. Figuurlijk gesproken dan natuurlijk.’


Ed Bruinvis - www.arnhemaanzee.nl, 5 mei 2014